Monday, December 20, 2010

Belastingverdrag Nederland-Thailand



Thailand

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Thailand tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen

Gesloten te Bangkok, op 11 september 1975

Hoofdstuk I. Reikwijdte van de Overeenkomst

Artikel 1. Personen op wie de Overeenkomst van toepassing is

Deze Overeenkomst is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de Staten of van beide Staten.

Artikel 2. Belastingen waarop de Overeenkomst van toepassing is

1. Deze Overeenkomst is van toepassing op belastingen naar het inkomen en naar het vermogen die, ongeacht de wijze van heffing, worden geheven ten behoeve van elk van de Staten of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan.

2. Als belastingen naar het inkomen en naar het vermogen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen, naar het gehele vermogen of naar bestanddelen van het inkomen of van het vermogen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering.

3. De bestaande belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is, zijn met name:

a. voor Nederland:

1. de inkomstenbelasting,

2. de loonbelasting,

3. de vennootschapsbelasting,

4. de dividendbelasting,

5. de vermogensbelasting,

(hierna te noemen: ‘Nederlandse belasting’);

b. voor Thailand:

1. de income tax (inkomstenbelasting),

2. de local development tax (belasting ten behoeve van de plaatselijke ontwikkeling),

(hierna te noemen: ‘Thaise belasting’).

4. De Overeenkomst is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die in de toekomst naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de Staten delen elkaar alle belangrijke wijzigingen die in hun onderscheiden belastingwetgevingen zijn aangebracht, mede.

Hoofdstuk II. Begripsbepalingen

Artikel 3. Algemene begripsbepalingen

1. In deze Overeenkomst, tenzij het zinsverband anders vereist –

a. betekent de uitdrukking ‘Staat’, al naar het zinsverband vereist, Nederland of Thailand;

betekent de uitdrukking ‘Staten’ Nederland en Thailand;

b. omvat de uitdrukking ‘Nederland’ het deel van het Koninkrijk der Nederlanden dat in Europa is gelegen, en het onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan waarop het Koninkrijk der Nederlanden in overeenstemming met het internationale recht soevereine rechten heeft;

c. omvat de uitdrukking ‘Thailand’ het Koninkrijk Thailand en elk gebied grenzend aan de territoriale wateren van het Koninkrijk Thailand, dat bij de Thaise wetgeving en in overeenstemming met het internationale recht is of nog zal worden aangewezen als een gebied waarbinnen de rechten van het Koninkrijk Thailand met betrekking tot de zeebodem en de ondergrond daarvan en hun natuurlijke rijkdommen kunnen worden uitgeoefend;

d. omvat de uitdrukking ‘persoon’ een natuurlijk persoon, een lichaam en elke andere vereniging van personen;

e. betekent de uitdrukking ‘lichaam’ elke rechtspersoon of elke eenheid of elke groep van personen die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld;

f. betekenen de uitdrukkingen ‘onderneming van een van de Staten’ en ‘onderneming van de andere Staat’ onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een van de Staten en een onderneming gedreven door een inwoner van de andere Staat;

g. betekent de uitdrukking ‘bevoegde autoriteit’ –

1. in Nederland de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;

2. in Thailand de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger.

2. Voor de toepassing van de Overeenkomst door elk van de Staten heeft, tenzij het zinsverband anders vereist, elke niet anders omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking heeft volgens de wetgeving van die Staat met betrekking tot de belastingen die het onderwerp van deze Overeenkomst uitmaken.

Artikel 4. Fiscale woonplaats

1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking ‘inwoner van een van de Staten’ iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die Staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding of enige andere soortgelijke omstandigheid.

2. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt een natuurlijke persoon die deel uitmaakt van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een van de Staten in de andere Staat of in een derde Staat en die onderdaan is van de zendstaat, geacht inwoner van de zendstaat te zijn, indien hij in die Staat aan dezelfde verplichtingen ter zake van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen is onderworpen als inwoners van die Staat.

3. Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepaling van het eerste lid inwoner van beide Staten is, gelden de volgende regels:

a. hij wordt geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft. Indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);

b. indien niet kan worden bepaald in welke Staat hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waar hij gewoonlijk verblijft;

c. indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is;

d. indien hij onderdaan is van beide Staten of van geen van beide, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.

4. Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepaling van het eerste lid inwoner van beide Staten is, regelen de bevoegde autoriteiten van de Staten de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming.

Artikel 5. Vaste inrichting

1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent de uitdrukking ‘vaste inrichting’ een vaste bedrijfsinrichting waarin de werkzaamheden van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

2. De uitdrukking ‘vaste inrichting’ omvat in het bijzonder:

a. een plaats waar leiding wordt gegeven;

b. een filiaal;

c. een kantoor;

d. een fabriek;

e. een werkplaats;

f. een mijn, een steengroeve of een andere plaats waar natuurlijke rijkdommen worden gewonnen.

3. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid omvat de uitdrukking ‘vaste inrichting’ slechts dan de plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie– of montagewerkzaamheden, indien de duur daarvan overschrijdt:

a. zes maanden in het geval van het plaatsen of het monteren van fabrieken en machines, daaronder begrepen de constructiewerkzaamheden die bij een dergelijke plaatsing behoren en daarvoor noodzakelijk zijn;

b. drie maanden in alle andere gevallen.

4. Een vaste inrichting wordt niet aanwezig geacht, indien:

a. gebruik wordt gemaakt van inrichtingen, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar,

b. een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de opslag, uitstalling of aflevering;

c. een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar wordt aangehouden, uitsluitend voor de bewerking of verwerking door een andere onderneming;

d. een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend om voor de onderneming goederen of koopwaar aan te kopen of inlichtingen in te winnen;

e. een vaste bedrijfsinrichting wordt aangehouden, uitsluitend voor reclamedoeleinden, voor het geven van inlichtingen, voor wetenschappelijk onderzoek of voor soortgelijke werkzaamheden voor de onderneming die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerzaamheden hebben.

5. Een persoon die in een van de Staten voor een onderneming van de andere Staat werkzaam is – niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger in de zin van het zesde lid – wordt als een in de eerstbedoelde Staat aanwezige vaste inrichting beschouwd, indien –

a. hij een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in de eerstbedoelde Staat gewoonlijk uitoefent, tenzij zijn werkzaamheden beperkt blijven tot de aankoop van goederen of koopwaar voor de onderneming; of

b. hij in de eerstbedoelde Staat gewoonlijk een voorraad van aan de onderneming toebehorende goederen of koopwaar aanhoudt waaruit hij regelmatig bestellingen uitvoert namens de onderneming; of

c. hij zich in de eerstbedoelde Staat gewoonlijk bezighoudt met het opnemen van bestellingen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestemd zijn voor de onderneming zelf of voor de onderneming en andere ondernemingen die zij beheerst of door welke zij wordt beheerst.

6. Een onderneming van een van de Staten wordt niet geacht een vaste inrichting in de andere Staat te bezitten op grond van de enkele omstandigheid dat zij aldaar zaken doet door middel van een makelaar, commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, indien deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen. Dit is niet van toepassing, indien de makelaar of vertegenwoordiger in de andere Staat een werkzaamheid als omschreven in het vijfde lid verricht, die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschiedt voor de onderneming zelf of voor de onderneming en andere ondernemingen die zij beheerst of door welke zij wordt beheerst.

7. De enkele omstandigheid dat een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, een lichaam beheerst of door een lichaam wordt beheerst, dat inwoner is van de andere Staat of dat in die andere Staat zaken doet (hetzij met behulp van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze), stempelt een van de beide lichamen niet tot een vaste inrichting van het andere.

Hoofdstuk III. Belastingheffing naar het inkomen

Artikel 6. Inkomsten uit onroerende goederen

1. Inkomsten uit onroerende goederen mogen worden belast in de Staat waar deze goederen zijn gelegen.

2. De uitdrukking ‘onroerende goederen’ heeft de betekenis die daaraan wordt toegekend door de wetgeving van de Staat waar de desbetreffende goederen zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de goederen die bij de onroerende goederen behoren, levende en dode have van landbouw– en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende goederen en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of concessie tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen; schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende goederen beschouwd.

3. De bepaling van het eerste lid is van toepassing op de inkomsten verkregen uit de rechtstreekse exploitatie, uit het verhuren of verpachten of uit elke andere vorm van exploitatie van onroerende goederen.

4. De bepalingen van het eerste en derde lid zijn ook van toepassing op inkomsten uit onroerende goederen van een onderneming en op inkomsten uit onroerende goederen gebezigd voor de uitoefening van een vrij beroep.

Artikel 7. Winst uit onderneming

1. De voordelen van een onderneming van een van de Staten zijn slechts in die Staat belastbaar, tenzij de onderneming in de andere Staat haar bedrijf uitoefent met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting. Indien de onderneming aldus haar bedrijf uitoefent, mogen de voordelen van de onderneming in de andere Staat worden belast, maar slechts in zoverre als zij aan die vaste inrichting kunnen worden toegerekend.

2. Indien een onderneming van een van de Staten in de andere Staat haar bedrijf uitoefent met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting, worden in elk van de Staten aan die vaste inrichting de voordelen toegerekend die zij geacht zou kunnen worden te behalen, indien zij een zelfstandige onderneming zou zijn die dezelfde of soortgelijke werkzaamheden zou uitoefenen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden en die geheel onafhankelijk transacties zou aangaan met de onderneming waarvan zij een vaste inrichting is.

3. Bij het bepalen van de voordelen van een vaste inrichting worden in aftrek toegelaten de kosten, daaronder begrepen kosten van de leiding en algemene beheerskosten, die ten behoeve van de vaste inrichting, hetzij in de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd, hetzij elders, zijn gemaakt.

4. Voor zover het in een van de Staten gebruikelijk was de aan een vaste inrichting toe te rekenen voordelen te bepalen op basis van een verdeling van de totale winst van de onderneming over haar verschillende delen of, in het geval van een persoon die geen aanspraak maakt op belastingheffing op basis van de werkelijke winst van de vaste inrichting, op basis van een bepaald redelijk percentage van de bruto–ontvangsten, belet het tweede lid die Staat niet de te belasten voordelen te bepalen volgens die methode; de gevolgde methode moet echter zodanig zijn, dat het resultaat in overeenstemming is met de in dit artikel neergelegde beginselen.

5. Geen voordelen worden aan een vaste inrichting toegerekend enkel op grond van aankoop door die vaste inrichting van goederen of koopwaar voor de onderneming.

6. Voor de toepassing van de voorgaande leden worden de aan de vaste inrichting toe te rekenen voordelen van jaar tot jaar volgens dezelfde methode bepaald, tenzij er een goede en genoegzame reden bestaat om hiervan af te wijken.

7. Indien in de voordelen bestanddelen zijn begrepen die afzonderlijk in andere artikelen van deze Overeenkomst worden behandeld, worden de bepalingen van die artikelen niet aangetast door de bepalingen van dit artikel.

Artikel 8. Zeevaart en luchtvaart

1. Voordelen of inkomsten van een onderneming van een van de Staten uit de exploitatie van luchtvaartuigen in internationaal verkeer zijn slechts in die Staat belastbaar.

2. Indien volgens artikel 7 een onderneming van een van de Staten die schepen in internationaal verkeer exploiteert in de andere Staat mag worden belast, wordt de in die andere Staat geheven belasting verminderd met een bedrag gelijk aan 50 percent daarvan.

3. De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op voordelen of inkomsten die voortvloeien uit deelnemingen van ondernemingen, die zich bezighouden met zeevaart of luchtvaart, in elke vorm van samenwerking op het gebied van zeevaart of luchtvaart.

Artikel 9. Gelieerde ondernemingen

Indien

a. een onderneming van een van de Staten onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van de andere Staat, of

b. dezelfde personen onmiddellijk of middellijk deelnemen aan de leiding van, aan het toezicht op dan wel in het kapitaal van een onderneming van een van de Staten en een onderneming van de andere Staat,

en in het ene of in het andere geval tussen de beide ondernemingen in haar handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden worden aanvaard of opgelegd, die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, mogen alle voordelen die zonder deze voorwaarden zouden zijn opgekomen aan een van de ondernemingen, maar ten gevolge van die voorwaarden haar niet zijn opgekomen, worden begrepen in de voordelen van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast.

Artikel 10. Dividenden

1. Dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van een van de Staten aan een inwoner van de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

2. Deze dividenden mogen echter in de Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is worden belast, maar de aldus geheven belasting mag 25 percent van het bruto–bedrag van de dividenden niet overschrijden.

3. Niettegenstaande de bepaling van het tweede lid,

A. mag de Nederlandse belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van Nederland aan een lichaam waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en dat inwoner is van Thailand en onmiddellijk tenminste 25 percent bezit van het kapitaal van het lichaam dat de dividenden betaalt, 5 percent van het bruto–bedrag van de dividenden niet overschrijden;

B. mag de Thaise belasting op dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van Thailand aan een lichaam waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en dat inwoner is van Nederland en onmiddellijk ten minste 25 percent bezit van het kapitaal van het lichaam dat de dividenden betaalt, 10 percent niet overschrijden, zulks met dien verstande dat:

a. indien het hoogste Thaise belastingtarief op winst van lichamen gedurende het boekjaar waarin de dividenden worden uitgedeeld niet meer dan 30 percent bedraagt, de Thaise belasting op die dividenden niet mag overschrijden:

i. 15 percent van het bruto–bedrag van de dividenden, indien dat lichaam dat de dividenden betaalt een industriële onderneming drijft;

ii. 20 percent van het bruto–bedrag van de dividenden in alle andere gevallen;

b. indien het hoogste Thaise belastingtarief op winst van lichamen gedurende het boekjaar waarin de dividenden worden uitgedeeld meer dan 30 percent, doch niet meer dan 40 percent bedraagt, de Thaise belasting op die dividenden 15 percent van het brutobedrag van die dividenden niet mag overschrijden indien het lichaam dat de dividenden betaalt geen industriële onderneming drijft.

4. De bevoegde autoriteiten van de Staten regelen de wijze van toepassing van het tweede en derde lid.

5. De uitdrukking ‘dividenden’, zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit aandelen, winstbewijzen, oprichtersaandelen of andere rechten – met uitzondering van schuldvorderingen – die aanspraak geven op een aandeel in de winst, alsmede inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten die door de belastingwetgeving van de Staat waarvan het lichaam dat de uitdeling doet inwoner is, met inkomsten uit aandelen worden gelijkgesteld.

6. De uitdrukking ‘industriële onderneming’, zoals gebezigd in dit artikel, betekent

a. iedere onderneming die zich bezig houdt met

1. produktie, montage en bewerking of verwerking,

2. constructiewerkzaamheden, burgerlijke bouwwerkzaamheden en scheepsbouw,

3. mijnbouw en exploratie en exploitatie van natuurlijke rijkdommen,

4. produktie van elektrische energie, waterkracht, gas of met watervoorziening, of

5. landbouw, bosbouw, visserij en het drijven van een plantage, en

b. iedere andere onderneming die recht heeft op de voorrechten die worden verleend ingevolge de Thaise wetgeving op het bevorderen van industriële investeringen, en

c. iedere andere onderneming die voor de toepassing van dit artikel door de bevoegde autoriteit van Thailand als ‘industriële onderneming’ wordt aangemerkt.

7. De bepalingen van het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing, indien de genieter van de dividenden, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, een vaste inrichting heeft en het aandelenbezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting behoort. In een zodanig geval zijn de bepalingen van artikel 7 van toepassing, mits de dividenden volgens de wetgeving van die andere Staat worden belast als deel van de winst van die vaste inrichting.

8. Indien een lichaam dat inwoner is van een van de Staten, voordelen of inkomsten verkrijgt uit de andere Staat, mag die andere Staat geen belasting heffen op de dividenden betaald door het lichaam aan personen die geen inwoner zijn van die andere Staat, noch de niet–uitgedeelde winst van het lichaam onderwerpen aan een belasting op niet–uitgedeelde winst, zelfs indien de betaalde dividenden of de niet–uitgedeelde winst geheel of gedeeltelijk bestaan uit voordelen of inkomsten die uit die andere Staat afkomstig zijn.

Artikel 11. Interest

1. Interest afkomstig uit een van de Staten en betaald aan een inwoner van de andere Staat, mag in die andere Staat worden belast.

2. Deze interest mag echter in de Staat waaruit zij afkomstig is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar de aldus geheven belasting mag niet overschrijden:

a. 10 percent van het bruto–bedrag van de interest, indien de interest wordt genoten door een bank of enige andere financiële instelling (daaronder begrepen een verzekeringsmaatschappij) die inwoner van de andere Staat is;

b. 25 percent van het bruto–bedrag van de interest in alle andere gevallen.

3. De bevoegde autoriteiten van de Staten regelen de wijze van toepassing van het tweede lid.

4. De uitdrukking ‘interest’, zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit overheidsleningen, uit obligaties of schuldbewijzen, al dan niet verzekerd door hypotheek en al dan niet aanspraak gevende op een aandeel in de winst, en schuldvorderingen van welke aard ook, alsmede alle andere inkomsten die door de belastingwetgeving van de Staat waaruit de inkomsten afkomstig zijn, met inkomsten uit geldlening worden gelijkgesteld.

5. De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de genieter van de interest, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waaruit de interest afkomstig is, een vaste inrichting heeft en de vordering uit hoofde waarvan de interest verschuldigd is, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting behoort. In een zodanig geval zijn de bepalingen van artikel 7 van toepassing, mits de interest volgens de wetgeving van die andere Staat wordt belast als deel van de winst van die vaste inrichting.

6. Interest wordt geacht uit een van de Staten afkomstig te zijn, indien zij wordt betaald door die Staat zelf, door een staatkundig onderdeel, door een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam of door een inwoner van die Staat. Indien evenwel de persoon die de interest betaalt, ongeacht of hij inwoner van een van de Staten is of niet, in een van de Staten een vaste inrichting heeft, waarvoor de schuld ter zake waarvan de interest wordt betaald, was aangegaan, en deze interest ten laste komt van die vaste inrichting, wordt deze interest geacht afkomstig te zijn uit de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd.

7. Indien, ten gevolge van een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de schuldeiser of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de betaalde interest, gelet op de schuldvordering ter zake waarvan zij wordt betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de schuldeiser zou zijn overeengekomen, vinden de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 12. Royalty's

1. Royalty's afkomstig uit een van de Staten en betaald aan een inwoner van de andere Staat, mogen in die andere Staat worden belast.

2. Deze royalty's mogen echter in de Staat waaruit zij afkomstig zijn worden belast, maar de aldus geheven belasting mag niet overschrijden:

a. 5 percent van het bruto–bedrag van zodanige vergoedingen indien zij worden betaald voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst of wetenschap;

b. 15 percent van het bruto–bedrag van zodanige vergoedingen, indien zij worden betaald voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een octrooi, een fabrieks– of handelsmerk, een tekening of model, een plan, een geheim recept of een geheime werkwijze, of voor inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap, dan wel voor het gebruik van, of het recht van gebruik van, bioscoopfilms of beeld– of geluidsbanden voor televisie of radio.

3. De bevoegde autoriteiten van de Staten regelen de wijze van toepassing van het tweede lid.

4. De bepalingen van het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien de genieter van de royalty's, die inwoner is van een van de Staten, in de andere Staat waaruit de royalty's afkomstig zijn, een vaste inrichting heeft en het recht of de zaak uit hoofde waarvan de royalty's verschuldigd zijn, tot het bedrijfsvermogen van die vaste inrichting behoort. In een zodanig geval zijn de bepalingen van artikel 7 van toepassing, mits de royalty's volgens de wetgeving van die andere Staat worden belast als deel van de winst van die vaste inrichting.

5. Royalty's worden geacht uit een van de Staten afkomstig te zijn, indien zij worden betaald door die Staat zelf, door een staatkundig onderdeel, door een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam of door een inwoner van die Staat. Indien evenwel de persoon die de royalty's betaalt ongeacht of hij inwoner van een van de Staten is of niet, in een van de Staten een vaste inrichting heeft waarvoor het contract op grond waarvan de royalty's worden betaald, was gesloten, en deze royalty's ten laste komen van die vaste inrichting, worden deze royalty's geacht afkomstig te zijn uit de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd.

6. Indien, ten gevolge van een bijzondere verhouding tussen de schuldenaar en de schuldeiser of tussen hen beiden en een derde, het bedrag van de betaalde royalty's, gelet op het gebruik, het recht of de inlichtingen waarvoor zij worden betaald, hoger is dan het bedrag dat zonder zulk een verhouding door de schuldenaar en de schuldeiser zou zijn overeengekomen, vinden de bepalingen van dit artikel slechts op het laatstbedoelde bedrag toepassing. In dat geval blijft het daarboven uitgaande deel van het betaalde bedrag belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de Staten, zulks met inachtneming van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 13. Beperking van de artikelen 10, 11 en 12

Internationale organisaties, hun organen en functionarissen, alsmede personen die deel uitmaken van een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een derde Staat, die in een van de Staten verblijven, hebben in de andere Staat geen recht op de verminderingen of vrijstellingen van belasting voorzien in de artikelen 10, 11 en 12 met betrekking tot uit die andere Staat afkomstige bestanddelen van het inkomen die in deze artikelen zijn behandeld, indien die bestanddelen van het inkomen in de eerstbedoelde Staat niet aan een belasting naar het inkomen zijn onderworpen.

Artikel 14. Vermogenswinsten

1. Voordelen verkregen uit de vervreemding van onroerende goederen, zoals omschreven in artikel 6, tweede lid, mogen worden belast in de Staat waar deze goederen zijn gelegen.

2. Voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende zaken die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, daaronder begrepen voordelen verkregen uit de vervreemding van de vaste inrichting (alleen of tezamen met de gehele onderneming), mogen in die andere Staat worden belast.

3. Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid, zijn voordelen uit de vervreemding van schepen en luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd, en van roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen en luchtvaartuigen, slechts belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

4. Voordelen verkregen uit de vervreemding van alle andere zaken dan die genoemd in het eerste, tweede en derde lid, zijn slechts belastbaar in de Staat waarvan de vervreemder inwoner is.

5. De bepaling van het vierde lid tast niet aan het recht van elk van de Staten overeenkomstig zijn eigen wetgeving belasting te heffen op voordelen uit de vervreemding van aandelen of winstbewijzen in een lichaam waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld en dat inwoner is van die Staat, verkregen door een natuurlijke persoon die inwoner is van de andere Staat en die in de loop van de laatste vijf jaren voorafgaande aan de vervreemding van de aandelen of winstbewijzen inwoner van de eerstbedoelde Staat is geweest.

Artikel 15. Persoonlijke arbeid

1. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 16, 18, 19, 20 en 21 zijn beloningen verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van persoonlijke arbeid (daaronder begrepen de uitoefening van een vrij beroep) slechts in die Staat belastbaar, tenzij de arbeid in de andere Staat wordt verricht. Indien de arbeid aldaar wordt verricht, mag de ter zake daarvan verkregen beloning in die andere Staat worden belast.

2. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid is de beloning verkregen door een inwoner van een van de Staten ter zake van in de andere Staat verrichte arbeid slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar, indien:

a. de genieter in de andere Staat verblijft gedurende een tijdvak of tijdvakken die in het desbetreffende belastingjaar een totaal van 183 dagen niet te boven gaan, en

b. de beloning wordt betaald door of namens een persoon die geen inwoner van de andere Staat is, en

c. de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting die de persoon die de beloning betaalt in de andere Staat heeft.

3. Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel mag de beloning ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of luchtvaartuig in internationaal verkeer, worden belast in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

Artikel 16. Bestuurders– en commissarissenbeloningen

1. Beloningen en soortgelijke betalingen verkregen door een inwoner van Nederland in zijn hoedanigheid van lid van de raad van bestuur van een lichaam dat inwoner van Thailand is, mogen in Thailand worden belast.

2. Beloningen en andere betalingen, verkregen door een inwoner van Thailand in zijn hoedanigheid van bestuurder of commissaris van een lichaam dat inwoner van Nederland is, mogen in Nederland worden belast.

Artikel 17. Artiesten en sportbeoefenaars

Niettegenstaande de bepalingen van de artikelen 5, 7 en 15 mogen inkomsten, verkregen door beroepsartiesten, zoals toneelspelers, film–, radio– of televisieartiesten en musici, alsmede door sportbeoefenaars, uit hun persoonlijke werkzaamheden als zodanig, of inkomsten verkregen uit het ter beschikking stellen door een onderneming van de diensten van zodanige beroepsartiesten of sportbeoefenaars, worden belast in de Staat waarin deze werkzaamheden of diensten worden verricht.

Artikel 18. Pensioenen en lijfrenten

1. Onder voorbehoud van de bepalingen van het tweede lid van dit artikel en het eerste lid van artikel 19, zijn pensioenen en andere soortgelijke beloningen ter zake van een vroegere dienstbetrekking betaald aan een inwoner van een van de Staten, alsmede aan een zodanige inwoner betaalde lijfrenten slechts in die Staat belastbaar.

2. Die inkomsten mogen echter ook in de andere Staat worden belast, voorzover zij als zodanig ten laste komen van winst, die in die andere Staat is behaald door een onderneming van die andere Staat of door een onderneming die aldaar een vaste inrichting heeft.

3. De uitdrukking ‘lijfrente’ betekent een vaste som, periodiek betaalbaar op vaste tijdstippen, hetzij gedurende het leven, hetzij gedurende een vastgesteld of voor vaststelling vatbaar tijdvak, ingevolge een verbintenis tot het doen van betalingen, welke tegenover een voldoende en volledige tegenprestatie in geld of geldswaarde staat.

Artikel 19. Overheidsfuncties

1. Beloningen, daaronder begrepen pensioenen, betaald door of uit fondsen in het leven geroepen door een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan aan een natuurlijke persoon ter zake van diensten bewezen aan die Staat of aan dat onderdeel of dat plaatselijke publiekrechtelijke lichaam daarvan in de uitoefening van overheidsfuncties, mogen in die Staat worden belast.

2. De bepalingen van de artikelen 15, 16 of 18 zijn evenwel van toepassing op beloningen of pensioenen ter zake van diensten, bewezen in het kader van een op winst gericht bedrijf uitgeoefend door een van de Staten of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan.

Artikel 20. Professoren en leraren

1. Vergoedingen die een professor of leraar, die inwoner is van een van de Staten en die in de andere Staat verblijft met het doel gedurende een tijdvak van ten hoogste twee jaren onderwijs te geven of zich met wetenschappelijk onderzoek bezig te houden aan een universiteit, hogeschool of andere inrichting voor onderwijs of wetenschappelijk onderzoek die toebehoort aan die andere Staat of aan de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan of aan een instelling zonder winstoogmerk van die andere Staat, voor dat onderwijs of dat onderzoek ontvangt, zijn slechts in de eerstbedoelde Staat belastbaar.

2. Dit artikel is niet van toepassing op inkomsten uit het verrichten van wetenschappelijk onderzoek, indien dit onderzoek niet wordt verricht in het algemeen belang, maar in de eerste plaats voor het persoonlijk nut van een bepaalde persoon of bepaalde personen.

Artikel 21. Studenten

1. Een natuurlijke persoon, die inwoner is van een van de Staten onmiddellijk voor zijn bezoek aan de andere Staat en die tijdelijk in die andere Staat enkel verblijf houdt

a. als student aan een universiteit, hogeschool of school in die andere Staat,

b. om een opleiding voor een bedrijf of beroep te verkrijgen, of

c. als de genieter van een in de eerste plaats voor studie of onderzoek bedoelde toelage, vergoeding of prijs van een organisatie op het gebied van godsdienst, liefdadigheid, wetenschap of onderwijs, wordt in die andere Staat niet belast ter zake van alle overmakingen uit het buitenland ten behoeve van zijn onderhoud, studie of opleiding.

2. Een natuurlijke persoon, die inwoner is van een van de Staten onmiddellijk voor zijn bezoek aan de andere Staat en die in die andere Staat enkel verblijf houdt als student aan een universiteit, hogeschool of school in die andere Staat of om een opleiding voor een bedrijf of beroep te verkrijgen, wordt in die andere Staat gedurende een tijdvak van niet langer dan drie opeenvolgende belastingjaren niet belast ter zake van beloningen uit een in die andere Staat uitgeoefende dienstbetrekking, mits

a. de beloningen inkomsten vormen die noodzakelijk zijn voor zijn onderhoud en studie, en

b. de bedoelde beloningen, per belastingjaar, naar gelang van het geval, niet meer bedragen dan 3600 gulden of 21 000 Baht.

Hoofdstuk IV. Belastingheffing naar het vermogen

Artikel 22. Vermogen

1. Vermogen, voor zover bestaande uit onroerende goederen, zoals omschreven in artikel 6, tweede lid, mag worden belast in de Staat waar deze goederen zijn gelegen.

2. Vermogen, voor zover bestaande uit roerende zaken die deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van een vaste inrichting van een onderneming, mag worden belast in de Staat waar de vaste inrichting is gevestigd.

3. Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid zijn schepen en luchtvaartuigen die in internationaal verkeer worden geëxploiteerd, en roerende zaken die worden gebruikt bij de exploitatie van deze schepen en luchtvaartuigen, slechts belastbaar in de Staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

4. Alle andere bestanddelen van het vermogen van een inwoner van een van de Staten zijn slechts in die Staat belastbaar.

Hoofdstuk V. Vermijding van dubbele belasting

Artikel 23. Vrijstellings– en verrekeningsmethoden

1. Nederland is bevoegd bij het heffen van belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de bestanddelen van het inkomen of het vermogen te begrijpen die volgens de bepalingen van deze Overeenkomst in Thailand mogen worden belast.

2. Indien een inwoner van Nederland voordelen en inkomsten verkrijgt of vermogensbestanddelen bezit die volgens de artikelen 6, 7, 10, zevende lid, 11, vijfde lid, 12, vierde lid, 14, eerste en tweede lid, 15, eerste en derde lid, 16, eerste lid, 17, 19 en 22, eerste en tweede lid, van deze Overeenkomst in Thailand mogen worden belast, stelt Nederland, onder voorbehoud van de bepalingen betreffende de wijze van toepassing, daaronder begrepen de bepalingen betreffende de verliescompensatie, in zijn eenzijdige voorschriften tot het vermijden van dubbele belasting, die voordelen en inkomsten of die vermogensbestanddelen vrij van belasting.

3. Nederland verleent voorts een vermindering op de overeenkomstig de voorgaande leden van dit artikel berekende belasting met betrekking tot de bestanddelen van het inkomen die volgens de artikelen 8, tweede lid, 10, tweede lid, 11, tweede lid, 12, tweede lid, en 18, tweede lid, in Thailand mogen worden belast en die in de in het eerste lid van dit artikel bedoelde grondslag zijn begrepen.

Het bedrag van deze vermindering is het laagste van de volgende bedragen:

a. het bedrag dat gelijk is aan de in Thailand geheven belasting;

b. het bedrag van dat deel van de Nederlandse belasting dat aan de genoemde bestanddelen van het inkomen kan worden toegerekend.

4. Thailand is bevoegd bij het heffen van belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, alle bestanddelen van het inkomen of het vermogen te begrijpen behalve indien in deze Overeenkomst uitdrukkelijk het tegendeel is bepaald.

5. Indien een inwoner van Thailand voordelen en inkomsten verkrijgt of vermogensbestanddelen bezit die volgens de bepalingen van de artikelen 6, 7, 10, zevende lid, 11, vijfde lid, 12, vierde lid, 14, eerste en tweede lid, 15, eerste en derde lid, 16, tweede lid, 17, 19, en 22, eerste en tweede lid, van deze Overeenkomst in Nederland mogen worden belast, stelt Thailand die voordelen en inkomsten of die vermogensbestanddelen vrij van belasting, maar mag het, bij het berekenen van de belasting over het overige inkomen of vermogen van die inwoner, het belastingtarief toepassen, dat van toepassing zou zijn geweest indien het vrijgestelde inkomen of vermogen niet was vrijgesteld.

6. Thailand verleent een vermindering van de volgens het vierde lid van dit artikel berekende belasting ter zake van de bestanddelen van het inkomen die volgens de artikelen 8, tweede lid, 10, tweede en derde lid, 11, tweede lid, 12, tweede lid, en 18, tweede lid, in Nederland mogen worden belast en ter zake van alle niet in deze Overeenkomst vermelde bestanddelen van het inkomen, die volgens de Thaise belastingwetgeving uit Nederland afkomstig zijn. Het bedrag van deze vermindering is het laagste van de volgende bedragen:

a. het bedrag dat gelijk is aan de in Nederland geheven belasting;

b. het bedrag van dat deel van de Thaise belasting dat aan de genoemde bestanddelen van het inkomen kan worden toegerekend.

7. Indien een inwoner van een van de Staten voordelen verkrijgt die volgens artikel 14, vijfde lid, in de andere Staat mogen worden belast, verleent die andere Staat een vermindering op zijn belasting over deze voordelen tot een bedrag dat gelijk is aan de belasting die in de eerstbedoelde Staat over de voordelen is geheven.

Hoofdstuk VI. Bijzondere bepalingen

Artikel 24. Non–discriminatie

1. Onderdanen van een van de Staten, ongeacht of zij inwoner zijn van die Staat of niet, worden in de andere Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan onderdanen van die andere Staat onder dezelfde omstandigheden zijn of kunnen worden onderworpen.

2. De uitdrukking ‘onderdanen’ betekent:

a. alle natuurlijke personen die de nationaliteit van een van de Staten bezitten;

b. alle rechtspersonen, vennootschappen en verenigingen die hun rechtspositie als zodanig ontlenen aan de wetgeving die in een van de Staten van kracht is.

3. De belastingheffing van een vaste inrichting die een onderneming van een van de Staten in de andere Staat heeft, is in die andere Staat niet ongunstiger dan de belastingheffing van ondernemingen van die andere Staat die dezelfde werkzaamheden uitoefenen.

Deze bepaling mag niet aldus worden uitgelegd, dat zij een van de Staten verplicht aan inwoners van de andere Staat bij de belastingheffing de persoonlijke aftrekken, tegemoetkomingen en verminderingen uit hoofde van de samenstelling van het gezin of gezinslasten te verlenen, die eerstbedoelde Staat aan zijn eigen inwoners verleent.

4. Ondernemingen van een van de Staten, waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, in het bezit is van of wordt beheerst door een of meer inwoners van de andere Staat, worden in de eerstbedoelde Staat niet aan enige belastingheffing of daarmede verband houdende verplichting onderworpen, die anders of zwaarder is dan de belastingheffing en daarmede verband houdende verplichtingen, waaraan andere soortgelijke ondernemingen van die eerstbedoelde Staat zijn of kunnen worden onderworpen.

5. In dit artikel ziet de uitdrukking ‘belastingheffing’ op belastingen van elke soort en benaming.

Artikel 25. Regeling voor onderling overleg

1. Indien een inwoner van een van de Staten van oordeel is dat de maatregelen van een van de Staten of van beide Staten voor hem leiden of zullen leiden tot een belastingheffing die niet in overeenstemming is met deze Overeenkomst, kan hij, onverminderd de rechtsmiddelen waarin de nationale wetgeving van die Staten voorziet, zijn geval voorleggen aan de bevoegde autoriteit van de Staat waarvan hij inwoner is.

2. Die bevoegde autoriteit tracht, indien het bezwaar hem gegrond voorkomt en indien hij niet zelf in staat is tot een bevredigende oplossing te komen, de aangelegenheid in onderlinge overeenstemming met de bevoegde autoriteit van de andere Staat te regelen, ten einde een belastingheffing die niet in overeenstemming is met deze Overeenkomst, te vermijden.

3. De bevoegde autoriteiten van de Staten trachten moeilijkheden of twijfelpunten die mochten rijzen met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst in onderlinge overeenstemming op te lossen. Zij kunnen ook met elkaar overleg plegen, ten einde dubbele belasting ongedaan te maken in gevallen waarvoor in deze Overeenkomst geen voorziening is getroffen.

4. De bevoegde autoriteiten van de Staten kunnen zich rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen, ten einde een overeenstemming als bedoeld in de voorgaande leden te bereiken.

Artikel 26. Uitwisseling van inlichtingen

1. De bevoegde autoriteiten van de Staten wisselen zodanige inlichtingen uit (zijnde inlichtingen die deze autoriteiten in de normale gang van zaken in de administratie voorhanden hebben) als nodig zijn om uitvoering te geven aan deze Overeenkomst, in het bijzonder om fraude te voorkomen, alsmede om uitvoering te geven aan wettelijke voorzieningen tegen wetsontduiking met betrekking tot de belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is. Elke aldus uitgewisselde inlichting wordt geheim gehouden en niet ter kennis gebracht van andere personen of autoriteiten dan die belast met de vaststelling, daaronder begrepen vaststelling in rechte, of invordering van de belastingen die het onderwerp van deze Overeenkomst uitmaken.

2. In geen geval worden de bepalingen van het eerste lid aldus uitgelegd dat zij een van de Staten de verplichting opleggen:

a. maatregelen te nemen die in strijd zijn met de wetgeving of het gebruik van die of van de andere Staat;

b. bijzonderheden te verstrekken die niet verkrijgbaar zijn volgens de wetgeving of in de normale gang van zaken in de administratie van die of van de andere Staat;

c. inlichtingen te verstrekken die een handels–, bedrijfs–, nijverheids– of beroepsgeheim of een fabrieks– of handelswerkwijze zouden onthullen, dan wel inlichtingen waarvan het verstrekken in strijd zou zijn met de openbare orde.

Artikel 27. Inperking van belastingvermindering

Indien op grond van een bepaling van deze Overeenkomst in een van de Staten vermindering van belasting over bepaalde inkomsten moet worden verleend en ingevolge de in de andere Staat geldende wetgeving een persoon ter zake van die inkomsten niet voor het volle bedrag aan belasting is onderworpen, doch slechts voor zover die inkomsten naar die andere Staat zijn overgemaakt of aldaar zijn ontvangen, vindt de vermindering die de eerstbedoelde Staat ingevolge deze Overeenkomst moet verlenen, slechts toepassing op het gedeelte van de inkomsten dat naar de andere Staat is overgemaakt of aldaar is ontvangen.

Artikel 28. Diplomatieke en consulaire ambtenaren

De bepalingen van deze Overeenkomst tasten in geen enkel opzicht de fiscale voorrechten aan die diplomatieke of consulaire ambtenaren en beambten ontlenen aan de algemene regelen van het volkenrecht of aan de bepalingen van bijzondere overeenkomsten.

Artikel 29. Uitbreiding tot andere gebieden

1. Deze Overeenkomst kan, in onderlinge overeenstemming, hetzij in haar geheel, hetzij met de noodzakelijke wijzigingen, worden uitgebreid tot de landen Suriname en de Nederlandse Antillen of tot een van die landen, indien het desbetreffende land belastingen heft die in wezen gelijksoortig zijn aan de belastingen waarop deze Overeenkomst van toepassing is. Zulk een uitbreiding wordt van kracht met ingang van een datum en met inachtneming van wijzigingen en voorwaarden, daaronder begrepen voorwaarden ten aanzien van de beëindiging, nader vast te stellen en overeen te komen bij diplomatieke notawisseling.

2. Tenzij anders is overeengekomen, wordt door de beëindiging van de Overeenkomst niet tevens de toepasselijkheid van de Overeenkomst op het land waartoe zij ingevolge dit artikel is uitgebreid, beëindigd.

Hoofdstuk VII. Slotbepalingen

Artikel 30. Inwerkingtreding

Deze Overeenkomst dient door Nederland en Thailand volgens hun wettelijke procedure te worden goedgekeurd en treedt in werking op de dag waarop nota's worden uitgewisseld waaruit die goedkeuring blijkt. De bepalingen ervan vinden daarna toepassing:

a. in Nederland: voor belastingjaren en boekjaren, die aanvangen op of na 1 januari van het jaar waarin de notawisseling plaats vindt;

b. in Thailand:

1. met betrekking tot belastingen naar het inkomen, voor belastingjaren en boekjaren, die aanvangen op of na 1 januari van het jaar waarin de notawisseling plaats vindt;

2. met betrekking tot belastingen naar het vermogen, op belastingen waarvan de betaling verschuldigd is op of na 1 januari van het jaar waarin de notawisseling plaats vindt.

Artikel 31. Beëindiging

Deze Overeenkomst blijft voor onbepaalde tijd van kracht. Elk van de Staten kan de Overeenkomst langs diplomatieke weg opzeggen door ten minste zes maanden voor het einde van enig kalenderjaar na een tijdvak van vijf jaren sedert de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst een kennisgeving van beëindiging te zenden. In dat geval houdt de Overeenkomst op van toepassing te zijn:

a. in Nederland: voor belastingjaren en boekjaren die aanvangen na het einde van het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan;

b. in Thailand:

1. ter zake van belastingen naar het inkomen, voor belastingjaren en boekjaren die aanvangen na het einde van het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan;

2. ter zake van belastingen naar het vermogen, op belastingen waarvan de betaling verschuldigd is na het einde van het kalenderjaar waarin de kennisgeving van beëindiging is gedaan.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, deze Overeenkomst hebben ondertekend.

GEDAAN te Bangkok, op 11 september 1975, in twee originelen, elk in de Nederlandse, in de Thaise en in de Engelse taal, zijnde de drie teksten gelijkelijk authentiek. In geval de Nederlandse en de Thaise tekst verschillend kunnen worden uitgelegd, is de Engelse tekst beslissend.

Protocol

I. Ad artikelen 10, 11 en 12

Verzoeken om teruggaaf van belasting die in strijd met de bepalingen van de artikelen 10, 11 en 12 is geheven, moeten worden ingediend binnen een tijdvak van drie jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belasting is geheven of, in het geval van artikel 27, na het einde van het kalenderjaar waarin de inkomsten zijn overgemaakt.

II. Ad artikel 10

De bepalingen van artikel 10, derde lid, onderdeel B, zijn niet van toepassing, indien van het lichaam dat inwoner is van Nederland Nederlandse vennootschapsbelasting wordt geheven ter zake van de dividenden die het ontvangt van het lichaam dat inwoner is van Thailand.

III. Ad artikel 15

Het is wel te verstaan dat de bepalingen van artikel 15, eerste en tweede lid, niet van toepassing zijn in het geval van beloningen genoten door een rechtspersonen of door een natuurlijke persoon als lid van een groep van persoon, die zodanig georganiseerd is dat de activiteiten ervan beschouwd kunnen worden als, of gelijkgesteld kunnen worden met, het drijven van een onderneming: in een zodanig geval zijn de bepalingen van artikel 7 van toepassing.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

GEDAAN te Bangkok, op 11 september 1975, in twee originelen, elk in de Nederlandse, in de Thaise en in de Engelse taal, zijnde de drie teksten gelijkelijk authentiek. Ingeval de Nederlandse en de Thaise tekst verschillend kunnen worden uitgelegd, is de Engelse tekst beslissend.

Dit artikel is met dank en toestemming overgenomen van


Goudsesingel 186 k401 - 3011 KD Rotterdam - The Netherlands
Tel 010-2439937 - mail@intax.nl

legal disclaimer

No comments:

Post a Comment

Post a Comment